Historiek

 

18de eeuw

In 1788, op de figuurlijke vooravond van de Franse Revolutie, komen enkele kunstbroeders ,Balthasar Paul Ommeganck, Hendrik-Frans de Cort en enkele anderen in Antwerpen samen en vormen een kunstenaarsgroep. Enkele jaren later in 1788 schrijven zij statuten uit en stichten uit die eerste groep, een vereniging, de “Konstenmaetschappye” . Deze megalomane kunstenaars, dromend van het herstel van de belangrijke Rubensperiode, vermoeden op dat moment niet dat hun vereniging geschiedenis zal maken. De achtiende eeuwse kunstscene kon niet weten dat kunst in de volgende eeuw naar het middelpunt van het maatschappelijk gebeuren zou verschuiven.

Foto1-Balthazar-Paul Ommeganck “Balthasar Paul Ommeganck. Stichter”

19de eeuw

De vereniging, die aanvankelijk als een zuiver artistieke aangelegenheid start, verandert reeds in het begin van de 19de eeuw in een breder maatschappelijk gegeven door het toetreden van vertegenwoordigers van de burgerij. De naam wordt dan ook veranderd naar “Maetschappij ter Ondersteuning van de Schoone Kunsten”. Dit nieuwe impuls komt van B.P. Ommeganck en Willem Jacob Herreyns, de laatste stichtte de Academie van Mechelen in1772. De officiële statuten van 1816, waarbij burgerij en kunstenaars een maatschappelijk pakt sluiten, bepaalt haar handelen gedurende de ganse 19de eeuw. In 1817 krijgt de vzw haar titel Koninklijk toegevoegd omwille van haar doortastendheid bij het terughalen van de, door Napoleon uit Vlaanderen, gestolen kunstschatten. Deze werden met hulp van Duitse troepen uit het Louvre te Parijs buitengehaald. Ridder Florent Van Ertborn, die zijn collectie Vlaamse primitieven bij testament aan het museum schenkt, is van 1820 tot 1826 voorzitter van de vereniging. De maatschappij groeit zienderogen, mede door het opkomend nationalisme en de zoektocht naar de roots van het prille volk van België. Dit komt tot uiting in de betrachting om het kunsthistorisch verleden te evenaren.
In die periode ontstaan de driejaarlijkse salons, die afwisselend in drie steden doorgaan. Van 1830 tot het einde van die eeuw blijven deze tentoonstellingen de enige officiële Belgische tentoonstellingen. Vanaf 1840 werkt men zelfs met artistieke correspondenten die in Europa kunstenaars recruteren om te participeren aan de salons (Düsseldorf, Wenen, Rotterdam, Bremen, Hamburg, München, Praag,…). In 1860 worden bij de lijst ook nog Sint-Petersburg en New-York gevoegd.

Foto2-Wappers “Gustaaf Baron Wappers, belangrijkste Belgisch romantische schilder, is artistiek voorzitter van 1844 tot 1853”

De machtsverdeling in de vereniging zwalpt tussen kunstenaars en mecenaat. De kunsten zetten zich uiteraard steeds meer centraal in de kwaliteitsbeleving van de 19de eeuw maar samen met die evolutie gaat de kunstenaar zich steeds vrijer opstellen. Het individualisme waarbij de progressieve kunstenaar vanuit een soort van maatschappelijke oppositie picturaal iets toevoegt aan de politieke strijd, is geboren. In die 19de eeuw zal het in de vereniging sporadisch tot confrontaties komen vermits het mecenaat, dat veelal conservatief gericht is, tegen vernieuwing van leer trekken. Daar waar de activiteiten in het begin van de eeuw door de romantische school werden aangezwengeld, blijft de macht op het moment van de artistieke en maatschappelijke vernieuwingen in dezelfde handen. Gepasseerd door de geschiedenis, worden ze nu als artistiek conservatief beschouwd. Bovendien ontstaat in de pers een langdurige controverse die pas in het laatste decennium van die eeuw omslaat als uiteindelijk ook de Maatschappij zich openstelt voor vernieuwende kunststromingen. Dit gegeven merkt men ook in de ‘Prix de Rome’ die eveneens door de maatschappij mee wordt ingericht. Deze openstelling gebeurt onder voorzitterschap van Arthur Van den Nest, schepen van Antwerpen en parlementslid.

In de 19de eeuw is de vereniging medeoprichter van het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten, vergroot ze de collectie van dit museum, verplaatst ze in 1890 het museum mee naar zijn huidige locatie op het Zuid.

Foto3-Meunier Buideldrager 1885 “-Buideldrager- van Constantin Meunier uit 1885 wordt gekocht en geschonken aan het Koninkijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen”
DKO-350-Tent-Affiche_A0_p1_test De lange zaal van KoMASK in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

20ste eeuw

Tijdens de twintigste eeuw, die door twee wereldoorlogen in drie periodes wordt verscheurd, situeert de vereniging zich in het gebied van de kunstbemiddeling. Er worden kunstwerken aangekocht ter aanvulling van de museale collecties (“Zotte geweld” van Rik Wouters, “De burger van Calais” van Rodin, de Buideldrager van Meunier,…).

Foto4-Zotte geweld 1912 Rik Wouters “Aankoop van het ‘Zotte Geweld’ van Rik Wouters uit 1912. Het wordt aan het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen geschonken”

Anderzijds adviseert de vereniging vanuit zijn kunstenaarspijler de vooraanstaande leden van de Antwerpse burgerij bij het aanleggen van haar collecties. Op deze manier worden vele aankomende kunstenaars geholpen bij het uitbouwen van hun carrière. Tijdens het interbellum worden de statuten van de vereniging aangepast aan de moderne wetgeving. In 1936 wordt er gekozen om een vzw met aandeelhouderschap te creëren. Alle notabelen van dat moment zetelen in de Raad van bestuur. Het is dan waarschijnlijk het meest prestigieus orgaan van zijn tijd. Cléomir Jussiant, een belangrijk kunstverzamelaar en mecenas, was voorzitter van 1938 tot 1957 en wist de vereniging een dominant karakter te geven in de kunstbeleving in de stad Antwerpen.
Na WO II is de Belgische economie zodanig dooreen geschud dat de vereniging niet meer het monopolie kan behouden dat het voorheen bezat. De meritocratie brengt een nieuwe klasse aan de macht die nieuwe culturele horizonten wil verkennen. Verschillende nieuwe mecenaatsverenigingen maken opgang. Op dat moment werk Komask ook niet meer nationaal. Het laatste salon wordt gehouden in 1951 en daarna worden er slechts nog overzichtstentoonstellingen georganiseerd. De kunstwereld mondialiseert, de vzw speelt er niet op in. De individuele vrijheid van de kunstenaar vergroot en neemt voor de burgerij bedreigende maatschappelijke proporties aan. De aandeelhouders van de vereniging houden hun greep op de werking waardoor haar invloed verder taant. De vereniging subsidieert reizen van aankomende kunstenaars en koopt verder, maar wel in mineur, kunstwerken van jongeren aan.

In 1976 houdt ze een overzichtstentoonstelling. De vereniging wordt ook lid van de nieuwe vzw rond de academie: Vrika (Vriendenkring Academie). Hier ondersteunt ze financieel de sociale werking van deze dochteronderneming. In 1995 (na de dood van L. Gyselinck) wil een notaris de vzw in vereffening stellen. Maar het dossier belandt op het bureau van de net aangestelde directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten, Bart’d Eyckermans, die weigert de ontbinding te ondertekenen. Hij betrekt een nieuw lid in de vzw: dr. Guido Persoons en overtuigt dr.jurist Jan Verswijver, die secretaris was tussen 1961 en 1972, terug de schouders onder de maatschappij te zetten. De vereniging wordt aangepast aan de nieuwe vzw-wetgeving, de statuten worden herschreven. Een actieplan om de vzw een nieuwe start te geven naar de 21ste eeuw wordt uitgevoerd.

Foto5-Prijsuitreiking KomaskFotoAlgZichtKMSK “Prijsuitreiking van de wedstrijd ‘Portret 2010’ in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen. Toespraak door de voorzitter dr. Guido Persoons”

21ste eeuw

De vzw hecht zich aan het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, er worden jaarlijks wedstrijden uit geschreven ter aanmoediging van jonge kunstenaars. In het tweede decennium van deze eeuw wordt er begonnen met het herstellen van de nationale gerichtheid van de culturele handelingen. Een wedstrijd ter aanmoediging en ter promotie van jonge kunstenaars waarin de vier Koninklijke Academies van België (Gent, Bruxelles, Liège en Antwerpen) worden samengebracht in een wedstrijd en getoetst aan internationale jury van curatoren en kunstenaars. Dit wordt jaarlijks hernomen. Deze wedstrijd herplaatst de vzw terug in zijn voormalige nationale positie als kunstenpromotor.

Foto6-Vernissage prijsuitreiking wedstrijd Tekenen XL “Vernissage Proclamatie wedstrijd ‘Tekenen XL’ in het nieuwe gerechtsgebouw te Antwerpen“

 

In memoriam

Guido Persoons, voorzitter KoMASK van 1966-2014.

Portret-Guido-2
Op 21 februari 2014 overleed op Prof. Dr. Guido Persoons onverwacht op 82-jarige leeftijd.
Guido Persoons werd op 8 april 1931 geboren in Borgerhout als zoon van de Antwerpse dirigent, componist en muziekdocent Gust. Persoons. Ook zijn moeder, Nora Schiltz, was een getalenteerde muzikante en stamde uit een familie waar alles in het teken stond van kunst en cultuur. Het was dan ook geen toeval dat de jonge Guido na zijn humaniorastudies aan het Sint-Stanislascollege in Berchem , ondanks vruchteloze pogingen van zijn ouders om hem voor een “ernstige” universitaire opleiding te laten kiezen met uitzicht op werkzekerheid, koppig doorzette en zich aan de Leuvense universiteit inschreef voor musicologie, een opleiding die hij later nog zou combineren met kunstgeschiedenis.
Na een paar opdrachten in onder meer de grafische sector en als reservist in de Belgische Zeemacht, wordt hij in 1962 aangesteld als wetenschappelijk bibliothecaris aan het Nationaal Hoger Instituut en Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw Antwerpen. Vanuit deze functie, die hij tot 1995 zou uitoefenen, zette hij zich in voor de uitbreiding en professionalisering van het aanbod van de bibliotheek en de wetenschappelijke inventarisatie van de collectie, waaronder het kostbare Sint-Lucasarchief. Daarnaast was hij al die jaren onlosmakelijk verbonden met het reilen en zeilen van de Academie, niet in het minst door de organisatie van talloze tentoonstellingen rond de geschiedenis van deze instelling en haar professoren, waarvoor hij steevast de catalogen schreef die meestal ook uitgroeiden tot diepgravende wetenschappelijke monografieën. Vermeldenswaardig in dit verband is de bijzondere cataloog over 100 jaar Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten die in 1985 van zijn hand verscheen. Vanuit de Academie onderhield hij ook veelvuldige contacten met wetenschappelijke bibliotheken, musea en kunstacademies overal in Europa.

In 1968 promoveerde Guido Persoons op een doctoraatsproefschrift over De Orgels en Organisten van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen 1500-1650. Daarmee was de start gegeven voor een boeiende academisch carrière aan de KU Leuven. Als docent aan de afdeling musicologie verzorgde hij tot aan zijn emeritaat in 1996 de cursussen in muzieksociologie en muziek en massamedia, alsook de specifieke lerarenopleiding voor musicologen.

Met zijn vele publicaties over muziekinstrumentenbouw, muziekdruk, componisten en beeldende kunstenaars streefde hij nadrukkelijk naar het documenteren en voor de latere generaties vastleggen van het cultuurleven in België, en dit met focus op Antwerpen. Zo was hij ook hoofdredacteur van het jubileumboek bij het honderdjarig bestaan van het Koninklijk Vlaams Conservatorium in 1998.

Diezelfde voorliefde voor het bewaren van ons kunstpatrimonium wordt ook weerspiegeld in zijn actieve betrokkenheid bij de Koninklijke en Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen en bij zijn daadwerkelijke inzet als bestuurslid in een brede waaier van wetenschappelijke en culturele verenigingen waar hij jarenlang actief was als bestuurslid, gaande van de Vereniging van Antwerpse Bibliofielen, het Kunsthistorisch Instituut van Antwerpen tot de Koninklijke Vereniging voor Muziekgeschiedenis. Met de Koninklijke Maatschappij tot Aanmoediging der Schone Kunsten had hij bijzondere band. Hij zou er vanaf 1996 met groot enthousiasme tot aan zijn dood de functie van voorzitter blijven uitoefenen.